www.INPP.NL
Reflexen
De herkomst van de reflexen zijn bij iedere baby gelijk. INPP onderzoekt de samenhang van de neurologische ontwikkeling en de ontwikkeling en inhibitie van de primitieve reflexen. En de ontwikkeling van de houdings reflexen ook wel posturale reflexen genoemd die zich ontwikkelen na de geboorte.


Hieronder volgt een beschrijving van de meest bekende primitieve reflexen zoals o.a. de Moro reflex, de ATNR, de STNR en de TLR. 


Reflexen uitleg volgens INPP
 

Aan de hand van enkele primitieve reflexen zullen er voorbeelden van leerstoornissen worden gegeven.

Moro reflex

De Moro reflex is een samengestelde reeks van bewegingen die in reactie op plotselinge stimuli worden uitgevoerd. Deze bestaat uit een symmetrische beweging van de armen omhoog - van het lichaam af - met het openen van de handen, een tijdelijke bevriezing en vervolgens een geleidelijke terugkeer van de armen naar het lichaam in een omklemmende positie.

De Moro reflex is degene die negen weken na conceptie bij de foetus in de baarmoeder tevoorschijn komt. Het is degene die ons gevoelig maakt voor gevaar: de alarmreflex. Deze reflex is duidelijk te zien bij een pasgeborene wanneer er een plotseling hard geluid wordt gemaakt. De baby neemt dan een snelle inademing en gooit zijn armpjes wijd uiteen.

Wanneer de armen dan weer over de borst bijeen komen schreeuwt de baby moord en brand. Op deze manier roept de baby om hulp.

Deze reflex zou getransformeerd moeten worden in een volwassen schrikreactie rond 13 weken na de geboorte, waarbij het kind zijn zintuigen gebruikt om de oorzaak van het potentiële gevaar op te sporen en een intelligent besluit te nemen: moet ik hier bang voor zijn of niet?

Bij deze volwassen schrikreflex zie je een snelle inname van lucht, knipperen met de ogen, optrekken van de schouders en het vaststellen van de oorzaak van de bedreiging.
Omdat een pasgeboren baby nog niet zelf kan vaststellen of de bedreiging echt gevaar voor hem oplevert, gaat zijn lichaam direct in de urgentiestaat.
Hierbij sturen de hersenen een seintje naar het hormoonsysteem dat er direct adrenaline en cortison afgescheiden moeten worden. Deze twee stoffen zijn eigenlijk bedoeld om infecties en allergieën te bestijden.

Wanneer het kind deze Moro niet transformeert naar de volwassen schrikreflex, dan zal dit kind telkens een overproductie aan cortison en adrenaline in zijn lijf rondpompen. Dit zorgt ervoor dat hij na verloop van tijd hypergevoelig wordt in een of meer van de zintuiglijke kanalen. Hierdoor kan hij overladen worden door allerlei prikkelingen: hij heeft last van allergieën of is overgevoelig voor bepaalde voedingsstoffen of medicijnen, voor licht (bijvoorbeeld van het flikkeren van de TL verlichting), voor geluid (hoort alles wat er om hem heen gebeurt en moet daar op reageren), is vaak verkouden of heeft last van bronchitis of keel en oorproblemen. Hij verbrandt sneller zijn bloedsuikers dan anderen. Vaak heeft dit kind last van gemoedschommelingen en kan hij veranderingen en kritiek niet goed verdragen. Dit "Moro" kind heeft vaak een lage eigenwaarde en weinig zelfvertrouwen.


Asymmetrische Tonische Nek Reflex (ATNR)

Een ander reflex dat veel invloed heeft op het goed functioneren van het lichaam is de Asymmetrische Tonische Nekreflex (ATNR).
Deze reflex komt tevoorschijn rond 4 tot 4 1/2 maand in de zwangerschap. De zwangere vrouw zegt dan ook dat de baby is begonnen met schoppen.
Wanneer de baby zijn hoofdje draait zullen de ledematen aan de kant waarheen het hoofd draait zich gaan strekken en aan de andere kant zich gaan buigen. Het is vooral goed zichtbaar bij de arm en hand.
Deze reflex is het allereerste begin van de hand-oogcoördinatie; wanneer de baby naar zijn handje kijkt en dan zijn hoofdje draait gaat de arm zich strekken en de ogen volgen het handje. Op deze manier leert het kindje zijn ogen op een verdere afstand te focussen.

Deze reflex zou geïnhibeerd moeten zijn op z’n laatst rond 6 maanden na de geboorte.
Wanneer deze reflex na 6 maanden nog aanwezig is zal het kind moeite hebben met het stabiliseren van de eenzijdigheid van handen, oren en ogen (geen voorkeur ontwikkelen voor links-  of rechtszijdigheid). Geen oog dominantie op verre en nabije afstand zal een grote factor zijn in de lees, schrijf, en spelmoeilijkheden.

Ook bij kinderen met schrijfproblemen is deze reflex vaak nog steeds aanwezig. Wanneer men deze kinderen vraagt om een woord mondeling te spellen kunnen zij dit prima, maar wanneer men ze vraagt om hetzelfde woord op te schrijven lukt hen dat niet. Want telkens wanneer het hoofd draait om naar de hand te kijken die gaat schrijven, wil die arm zich gaan strekken en de hand gaan openen, waardoor de pen op een krampachtige en onvolwassen manier wordt vast gehouden.
Deze kinderen zijn dan zo bezig met de mechaniek van het schrijven dat ze daardoor de informatie van hun oren en ogen niet op papier kunnen krijgen. Het heeft niets te maken met intelligentie. Deze kinderen raken erg gefrustreerd, omdat ze weten dat ze dit zouden moeten kunnen.


Tonische Labyrint Reflex (TLR)

De tonische labyrint reflexen bestaan uit een voorwaarts en achterwaarts reflex.
De voorwaartse reflex (zie het bovenste plaatje) komt tevoorschijn in de baarmoeder, wanneer het hoofdje door de baarmoederwand naar voren wordt geduwd. Doordat de baby zich dan in de foetushouding trekt, kan hij/zij optimaal groeien.
Rond 4 maanden na de geboorte moet deze reflex onder controle zijn gebracht van een hoger deel van de hersenen.

De achterwaartse reflex komt tevoorschijn wanneer de baby geboren gaat worden en het hoofdje de spildraai naar achteren moet maken, waardoor de armen en benen zich strekken en het kindje dus geboren kan worden.
Deze reflex zal langzaam onder controle gebracht worden, terwijl tegelijkertijd de Symmetrische Tonische Nekreflex en de posturale reflexen zich gaan ontwikkelen.

Door deze reflexen heeft de baby een primitieve manier van omgaan met de zwaartekracht.
Rond 6 maanden zal de hoofdcontrole zich gaan ontwikkelen, en daarmee ook de Hoofdrechtingsreflexen. De hoofdcontrole is de essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van alle latere functies en zou de eerste aanzet zijn voor de vroege beweging, spiertonus en evenwicht.

Wanneer deze reflexen niet op de juiste tijd geremd worden zullen zij telkens het evenwicht uit balans brengen, en daarmee ook alle interacties met de andere zintuiglijke systemen.
Het kind dat nog een tonische labyrint reflex heeft zal bij het lopen geen goede balans vinden, omdat bij elke beweging voor- of achterwaarts van het hoofd de spiertonus verandert en zo het kind uit evenwicht brengt. Het kind heeft geen vast referentiepunt in de ruimte, waardoor het moeilijk wordt om afstand, ruimte, snelheid of diepte te schatten. Hierdoor zal het ook lastig zijn om links van rechts of voor van achter te onderscheiden.
De Hoofdrechtingsreflexen zullen niet goed tot ontwikkeling kunnen komen en daardoor zullen de oogbewegingen gestoord worden.

Wanneer één segment van het systeem niet goed werkt zal het ook andere systemen storen. Zo zullen dan de ogen niet goed kunnen functioneren wanneer het evenwicht niet goed functioneert en omgekeerd. Het kind zal dit als normaal ervaren daar hij nooit anders gewend is geweest.
Heeft het kind de voorwaartse reflex nog, dan zal hij tijdens lang rechtop staan, wat ineen zakken en met gebogen schouders staan. Dit kind heeft dus te weinig spierspanning.
Heeft het kind de achterwaartse reflex, dan zal hij in rechtopstaande houding eerder op zijn tenen gaan staan, en houterig of schokkerig bewegen.
Beide kinderen zijn vaak niet erg sportief, omdat zij onbewust weten dat hun evenwicht niet goed is.
Zij hebben vaak ruimtelijke en visuele problemen en hebben moeite met het aanleren en onthouden van logische volgorden (b.v. de dagen van de week, de tafels, moeite met het leren klokkijken, het kunnen organiseren van de dagelijkse taken)


Symmetrische Tonische Nekreflex (STNR)

"Eén van de transitionele reflexen die men bij kinderen met leer of gedragsstoornissen ziet is de Symmetrische Tonische Nekreflex (STNR).
Deze reflex komt tevoorschijn rond 6-8 maanden na de geboorte en moet geïnhibeerd zijn rond 10 maanden na de geboorte.
Deze reflex zorgt ervoor dat de baby op handen en voeten omhoog komt om te gaan kruipen. Voordat de baby gaat kruipen ziet men hem zitten in de "kat" positie: armen gestrekt en billen rustend op de onderbenen. Wanneer het kind zijn hoofdje omlaag beweegt buigen de armen tot het hoofd op de grond rust en de billen komen de lucht in. Wanneer het hoofdje opgetild wordt strekken de armen zich en zakken de billen weer op de benen.

Deze reflex verdeelt het lichaam in een bovenste en onderste helft die tegengesteld werken: wanneer de bovenste helft gestrekt is kan de onderste helft zich buigen en omgekeerd.
Dit is het moment waarop het kind leert zijn ogen te focussen van veraf naar dichtbij en omgekeerd.

De schoolkinderen bij wie deze Symmetrische Tonische Nek Reflex nog steeds aanwezig is zullen de volgende problemen ondervinden: zij zitten vaak op één of beide benen tijdens het werken om zo én hun armen én hun benen gebogen te houden. Of ze "hangen" in hun stoel: benen gestrekt zodat de armen gebogen kunnen worden.
Vaak hebben ze moeite met het overschrijven van het schoolbord in hun schrift, omdat het focussen van de ogen van veraf naar dichtbij en terug veel te langzaam gaat.
Deze kinderen liggen vaak met hun hoofd bijna op de tafel wanneer ze aan het werk zijn. Ook zij dit vaak de klassiek onhandige kinderen; ze lopen overal tegenop, stoten van alles omver en struikelen nog over hun eigen voeten.

Wanneer deze kinderen deze reflex hebben en ook nog eens die in de arm, de Asymmetrische Tonische Nek Reflex, dan wordt de concentratie wel erg verzwakt: ze moeten proberen om én rechtop te zitten én om een arm en hand te gebruiken die niet mee wil werken.


Spinal Galant Reflex

Wanneer een pasgeboren kindje op zijn buik op de onderarm wordt gelegd en er met de achterkant van een potlood aan één kant van de ruggengraat een lijntje omlaag wordt getrokken, zal het heupje aan die kant ongeveer 45 graden naar buiten bewegen. Doe je dit aan de andere kant van de ruggengraat dan zal ook dat heupje ongeveer 45 graden naar buiten bewegen.
Zou je het nu aan twee kanten tegelijk doen, dan gaat het kindje plassen.

Deze reflex komt tevoorschijn rond de twintigste week van de zwangerschap. Bij de geboorte is deze volledig actief en tussen de 3 en 9 maanden na de geboorte moet deze reflex geremd worden en dus onder controle komen van een hoger deel van de hersenen.

Het doel van deze reflex is het kindje te helpen om geboren te worden, want wanneer het kindje in het geboortekanaal zit en de weeën de rug stimuleren, zullen de heupen zich bewegen en het kindje helpt zichzelf dus mee naar buiten te werken.

Wanneer deze reflex niet op de juiste tijd geremd wordt, zal elke aanraking van de rug (door de stoelleuning, de broekriem) resulteren in een beweging van de heupen. Hierdoor lijkt het alsof het kind dus niet stil kan zitten en telkens moet bewegen. Dit gaat dan ten koste van de concentratie en het korte geheugen, daar deze constante irritatie altijd wedijvert om de aandacht.

Een aanwijzing dat deze reflex aanwezig zou kunnen zijn, is wanneer het kind boven de leeftijd van 5 jaar nog regelmatig in zijn bed plast. Want zodra de lendenen aan beide kanten tegelijk licht aangeraakt worden (door bijvoorbeeld het beddengoed of het elastiek van de pyjama) zal het kind gaan plassen. Dit is overigens niet de enige reden waarom een kind bedplast.

Wanneer de Spinal Galant reflex nog aan één kant actief blijft, kan dit de lichaamshouding, het lopen en elke andere vorm van bewegen beïnvloeden. Het kan lijken alsof het kind licht mank loopt. Ook kan het bijdragen aan scoliose (scheve ruggroei) Hierdoor zal verder in het leven soepelheid van het lichaam en fysieke activiteiten, zoals sport, beïnvloed worden.



Hoofdrechtingsreflex (HRR)

Als laatste reflex wordt het Hoofdrechtingsreflex behandeld welke juist aanwezig moet zijn en blijven vanaf 10 maanden na de geboorte.
Deze reflex zorgt ervoor dat wanneer het lichaam van positie veranderd het hoofd automatisch in de verticale stand blijft staan.

Alleen wanneer dit zo is kunnen de ogen zich goed focussen omdat het beeld dan stil blijft staan. Hierdoor wordt de concentratie beter en doordoor ook het geheugen.
Wanneer deze reflex afwezig blijft, zal het kind moeite hebben zijn ogen op hetzelfde punt en dezelfde afstand te focussen. Hierdoor zal de leesvaardigheid beïnvloed worden. Ook heeft het kind dan moeite met zijn balans, omdat zijn wereld om hem heen lijkt te draaien.

Het is gebleken dat vele kinderen vaak ten onrechte hyperactief worden genoemd, of dat men denkt dat ze dyslectisch zijn.
Vaak blijkt dat de bovengenoemde symptomen met het inhiberen van de reflexen vanzelf verdwijnen.